Fotoverhaal
Over het hoofd
Jan zit een beetje onderuit gezakt in zijn gemakkelijke stoel. Ik zit opzij van hem, op de grond. De late zon schijnt door het raam op mijn rug, daarom wil ik graag hier blijven zitten. Hij zou zijn stoel een stukje kunnen draaien om me aan te kijken. Maar hij zoekt mijn ogen niet. Hij kijkt naar de muur en wat hij ziet is nog veel verder weg. Dus dit is je vader, Gijs, denk ik, en schrik even, plotseling bang dat Jan het hoort. Maar hij praat ongestoord verder.
Jan heeft zo zelden bezoek dat hij zich deze kans niet laat ontglippen. Met de vingers van zijn rechterhand draait hij de ring om zijn linkerringvinger. Zijn trouwring, neem ik aan. Zonder het te merken draait hij zijn huwelijk in de rondte.
Hij was wel veraasd toen hij de deur voor me open deed. ‘Maroesjka, jij?!’ Toen kwam de schrik: ‘Is er iets met Gijs?’
Inwendig schreeuwde ik het uit: ‘Ja! Gijs! Hij is weg! Je moet hem terughalen!’ Maar ik wist niet hoe ik het hem moest zeggen en schudde mijn hoofd. Dat was voldoende om hem gerust te stellen. Jij was alweer uit zijn gedachten. Het moet zeker vijf jaar, of langer, zijn dat jullie elkaar niet hebben gezien. En ik Jan dus ook niet. Maar hij vroeg niets, lachte naar me zoals een lieve oude man dat kan. Hij liet me eenvoudig binnen en liep naar de keuken om koffie te zetten. In de woning was alles nog zoals toen ik hem voor het eerst ontmoette. Toen jij vond dat het tijd werd dat ik je vader eens zag. Ik was verrast geweest omdat je het nooit in de tegenwoordige tijd over hem had gehad. Jullie levens raakten elkaar niet.
Ik heb niet willen zien hoe je verdween, Gijs. In de loop van de jaren gleed je steeds verder terug in een grijs verleden, tot ik je vandaag niet eens meer aan kon raken. De ontdekking was een klap in mijn gezicht. Vanmiddag toen ik uit school kwam trof ik je al thuis. Maar ik vroeg niet waar je zo vroeg vandaan kwam. De ruzie met mijn directeur liet me niet los; het liefst wilde ik direct ontslag nemen. Ik zag je in je stoel in de woonkamer zitten, en eenmaal tegenover je op de bank moest ik eerst vertellen hoe het was gegaan. Ik kon nauwelijks blijven zitten; de hitte moest in je gezicht slaan. Ik ken je als de redelijkheid in eigen persoon; ik wist zeker dat je zou zeggen dat ik geen overhaaste beslissing moest nemen en de kinderen niet in de steek mocht laten. Dat moest je zeggen, Gijs, zo gauw ik was uitgeraasd.
Maar je zei niets. Je keek niet op of om. Even vroeg ik me benauwd af of je wel ademde.
‘Gijs!’ riep ik, en stond al naast je. Je lichaam deed het wel, al was de huid van je wang, waar ik mijn hand tegenaan legde - heb je het gevoeld?-, wezenloos koel. Je sloeg zelfs een pagina van de krant om. Maar je ogen waren niet bij het nieuws, zag ik. Toch was ik gerustgesteld. Mijn hitte was bekoeld. Ik ging naar boven. Het was tijd voor de was.
De was heb ik laten liggen. In de slaapkamer zat ik op de vensterbank. Met mijn rug in de zon, toen ook al. Aan de directeur dacht ik niet meer. Ik keek naar jou. Mijn Gijs die in zijn stoel zat en toch ook niet. Gijs die met mij samenwoonde en toch misschien ook niet. Ik heb heel lang zitten kijken. Zag hoe je me in je leven had uitgenodigd toen we elkaar nog maar net kenden. Je luisterde naar me en verraste me met je vragen. Ik bleef kijken, maar kon niet zien waar deze Gijs gebleven was.
Toen ik beneden kwam was je stoel leeg.
Je bent het centrum van mijn leven. Ik ben de steun in jouw rug. Je rekent op mij en ik weet het. Dus moest ik je zoeken. Maar waarheen je bent gegleden zag ik niet. Daarom besloot ik naar je vader te gaan. Hij moet me laten zien waar ik je zoeken moet.
Ik durf Jan niet te onderbreken. Nog niet. Zijn stem is hees, zijn adem gejaagd. De man heeft een verhaal dat nooit stopt. Eens heeft hij een kind het leven gered. Uit het water gehaald. Maar het vreemde kind is voor het leven verlamd gebleven en Jan voelt zich schuldig. Alsof hij het op de wereld heeft gezet. Zijn gezonde eigen kinderen zijn hun weg gegaan en sinds zijn vrouw overleden is ziet hij ze nog maar zelden. Het gehandicapte kind echter achtervolgt hem. In zijn dromen. En op straat. Hij doet alles om maar niet herkend te worden.
Ik kijk alleen nog naar de vingers die de ring draaien. Ik wil ook iets zeggen. Hem vragen waar zijn zoon is gebleven. Waar verstopte de jongen zich als hij wachtte tot zijn vader hem kwam zoeken? Heel even is Jan stil. Ik grijp mijn kans.
‘Wat heb je met Gijs gedaan?’ Ik sla mijn hand voor mijn mond. Jan kijkt alleen even op, verstoord. Mijn woorden passen niet, zijn verhaal is nog niet uit. Maar wat heb ik met jou gedaan? Wat doe ik hier bij je vader die jou van zijn leven niet achterna zal springen?
Ik moet naar huis. Daar zit je natuurlijk, voor wie je kan zien, in je stoel. Hopelijk wacht je op me.
Foto: Larry Fink. Tekst: Jacqueline Lucas.
Terug naar fotoverhalen |