Fotoverhaal
De keten
Ik weet niet met hoeveel ze waren. Het was een eindeloze rij die over de brede stoep kronkelde. Alle moeders uit de stad waren opgetrommeld, dacht ik. Zou er een frequentie bestaan waarvoor alle moeders gevoelig zijn? Zo’n trilling waarop kleine kinderen bewegen, zodat een moeder het direct weet wanneer er gevaar dreigt?
Ik voelde het gonzen toen ik hen hand in hand de straat over zag steken. Er was een moord gepleegd! Een kind was door een auto aangereden. Het was niet de eerste keer. Er gebeurden te veel ongelukken! Deze ontwikkeling moest worden gestopt.
De boosheid die hen de straat op had gejaagd was al verdampt. De kring die door de stad zwierde bevatte een kracht die van hand tot hand werd doorgegeven en zich razendsnel vermenigvuldigde. De vrouwen lachten en zongen en plotseling wist ik zeker dat als deze keten zo verder zou lopen, als deze vreugde hand in hand ging met vastbeslotenheid, er van ze leven nooit meer een auto de stad in zou komen. Deze vrouwen gaven de stad, de straten en de pleinen, terug aan de kinderen! Mijn hart sprong op. Inwendig juichte ik bij de gedachte aan de bevrijde stad.
Prompt voelde ik een dolk die zich in mijn hart boorde.
Hoe blij ik ook had willen zijn, hoe graag ik al die handen in mijn handen had gehouden en hun kracht wilde delen, het kon me niet ontgaan dat geen van al die vrouwenhanden de mijne vast had. Ik aarzelde nog, zocht haastig naar een kans om in te haken, maar inwendig had ik de strijd al opgegeven. Ik was op de fiets en als gewoonlijk moest ik mijn eigen koers bepalen. Mijn handen klemden zich steeds vaster om het stuur dat slechts de twee wielen van mijn oude fiets richting gaf. Wielen die langzamer draaiden naarmate ik de eindeloze keten zingende vrouwen naderde.
Geen auto kon hier meer de stad in. Maar als dit zo doorging kon ik zelf de stad niet meer uit! Plotseling werd ik bevangen door razernij. Wat had ik met die kindermoord te maken? Niemand mocht mij tegenhouden!
De kracht flitste door mijn benen. Ik was al vergeten waarheen ik op weg was en zag niet goed meer wat ik deed. Maar ik wist zeker dat de ineengestrengelde handen waar ik recht op af koerste los moesten. Ik moest erdoor! Met verhoogde druk op de pedalen maakte ik snelheid. Of ze wilden of niet, voor mij moesten ze wijken. Ik reed midden op straat.
De auto die van de andere kant kwam had ik niet eens gezien.
We liggen alle drie op dezelfde zaal. Tegen het advies van de artsen in stroomt het bezoek uur na uur door deze bloemenzee binnen. Ook journalisten blijven komen. Tussen de vele kaarten vullen de krantenfoto’s de wanden. Iedere verpleegkundige weet hoe de vreedzame demonstratie op brute wijze is verstoord. Ze leven met ons mee. Schrik en verontwaardiging, strijdlust en vreugde over de goede afloop struikelen over elkaar. Laura, naast me, heeft haar voet, die triomfantelijk de lucht in wijst, in het gips. Vic, bij het raam, beschadigde bij de aanrijding haar knie, maar er is niets ernstigs gevonden. Ze moet nog voor een paar laatste onderzoeken blijven. Bij mij is behalve een gekneusde rib een hersenschudding geconstateerd. Vooral voor mij moet het rustig zijn op de zaal. Maar ik wil geen rust. Alle handen die de mijne schudden houd ik vast zo lang ik durf. Je zou niet zeggen dat ik kort geleden nog niemand hier kende. Ik deel hun vreugde en de bezorgdheid om de toekomst van de kinderen.
Alleen bij de woede over de auto, de man die met zijn moordwapen moedwillig op de overstekende rij inreed, probeer ik niet uit de toon te vallen en hul me in de bloemengeur. Ik kan hun verontwaardiging moeilijk delen. Hoe had ik zonder een nieuw ongeluk in de keten opgenomen kunnen worden?
Foto: Wim Ruigrok. Tekst: Jacqueline Lucas
Terug naar fotoverhalen
|
|